Over de herkomst van de polska.

Er zijn danswetenschappers die zeggen dat polska oorspronkelijk een poolse dans is (vandaar de naam). Er zijn echter hele oude dansomschrijvingen (uit 16e en 17e eeuw) die suggereren dat de naam nieuwer is dan de dans.

Er zijn danswetenschappers die vermoeden dat de polska evenals de wals ontstaan is uit een Oostenrijkse volksdans – de Ländler.

Saillant detail; de Weense wals is van oorsprong duits en werd “Duitse” / “Deutscher” genoemd, de naam wals is pas later aan de dans gegeven. Dus ook hier is de naam nieuwer dan de dans.

 

Pols en polska zijn dansen in paren op een 3-delige maat.

Pols is de noorse benaming en polska is de zweedse benaming voor deze dansen, die qua stijl, vorm en ritme niet hetzelfde maar wel sterk verwant zijn aan elkaar.

Ze zijn opgebouwd uit dezelfde basisfiguren:

  1. wandelpas (försteg),
  2. snelle draai – een hele draai per maat – meestal rechtsom (omdansning),
  3. langzame draai – een hele draai per twee maten – rechtsom (frammes) en linksom (bakmes) – danspositie verschoven ten opzicht van elkaar,
  4. langzame draai (polkettering) – een hele draai per twee maten – rechtsom en linksom – danspositie tegenover elkaar.

Zweden kent talloze polska-varianten.

Het zijn niet echt verschillende dansen, maar er zijn verschillen in stijl, karakter en/of tempo en er zijn variaties in passen. Er zijn bijvoorbeeld langzame en snelle polska’s, gelijkmatige en ongelijkmatige polska’s, hele vlakke polska’s en polska’s met een golvende dansbeweging of polska’s met een diepe veerbeweging of met een korte veerbeweging zoals een bounce .

Kenmerkend is het 2-staps motief voor de passen; d.w.z. op een 3-delige maat doe je 2 passen, dus op 1 en 2, op 1 en 3 of op 2 en 3. Daarbij kan dat verschillend zijn voor de leider en de volger.

In veel polska’s is het een combinatie van een 2-staps motief en een 3-staps motief, hetgeen ook weer verschillend kan zijn voor de leider en de volger.

 

Een klein aantal polska’s gebruikt alleen de wandelpas en de snelle draai (försteg + omdansning). De meeste van de traditionele polska’s echter bestaan uit 3 of 4 van bovenstaande dansfiguren waarvan volgorde en lengte vaak vast ligt en gebonden is aan de frase van de muziek.

In het grensgebied met Noorwegen zijn er polska’s waarvan volgorde en lengte van de figuren wat vrijer is.

In de pols zijn dansfiguur en frase niet streng aan elkaar gebonden. Ook is er meer vrijheid in de volgorde waarin de dansfiguren gedanst worden.

 

Al deze verschillen en variaties maken pols en polska interessant.

 

Het gemak waarmee je een pols/polska, en met name de snelle draai, kan dansen is afhankelijk van de balans, danshouding en de draaitechniek van beide partners. Actief aangeven, actief volgen en onderlinge harmonie zijn hierin sleutelbegrippen.